(een aantal jaar lang publiceerde Tribune iedere maand een straight-quote interview met een bekende Nederlander over een maatschappelijk onderwerp. De opmaak was altijd eender: een spread met een vrijstaand portret van de geïnterviewde op de rechterpagina.)
Zijn onverwachte donderspeech tijdens het toneelprijzengala – waarin acteur Gijs Scholten van Aschat de vloer aanveegde met de cultuurpolitiek van staatssecretaris Rick van der Ploeg – maakte hem ongewild actieleider van de boze gezelschappen uit alle geledingen van de kunstwereld. Onder hen Scholten van Aschats ‘eigen’ gezelschap Orkater. ‘Van der Ploeg maakt zich niet sterk voor de kunst. Zijn portefeuille is niet meer dan een speeltje, iets waarmee hij zich wil manifesteren.’
“Het is belachelijk dat een groep als Orkater niet krijgt wat ze verdient. Het is het enige gezelschap in Nederland dat muziektheater maakt. Dat kan je niet zomaar laten verdwijnen. Het schrappen van de subsidie kwam volslagen uit de lucht vallen. We wisten van niets. Maar ineens, out of the blue, zijn we niet goed genoeg en moeten we weg. Terwijl we vier jaar geleden nog als beste uit de bus kwamen en een lichtend voorbeeld waren van hoe het wel moest! Als het werkelijk om de kwaliteit te doen was, had de Raad voor Cultuur – dat is de club die de aanvragen beoordeelt en advies uitbrengt aan de staatssecretaris – in de tussentijdse beoordeling moeten zeggen: luister Orkater, het gaat niet helemaal goed met jullie, doe er eens wat aan.
De Raad voor Cultuur heeft geen enkel deugdelijk argument voor haar oordeel. Orkater wordt verweten te weinig voorstellingen te geven. Dat is een pertinente onjuistheid. We moeten er vierhonderd geven en hebben er ruim duizend gedaan. Er zouden bovendien te weinig nieuwe acteurs zijn aangenomen. Dat is ook al niet waar.
De Raad zou moeten fungeren als een onafhankelijk adviesorgaan. In werkelijkheid laat ze zich voor het karretje spannen van de op dat moment zittende bewindsman of -vrouw. Het hele kunstbeleid getuigt van een enorme kortzichtigheid en willekeur. Onder D’Ancona moesten we internationaliseren, Nederland op de kaart zetten. Nuis wilde een interculturele samenleving, de jeugd in het zadel. Over ‘een eigen ruggengraat’ had hij het, whatever that may be. Allemaal hebben ze het beleid van hun voorganger omgegooid om er maar hun eigen stempel op te kunnen drukken.
Elke vier jaar zijn de rapen gaar. Dan zit er wéér een ander die het helemaal anders wil. Voorbeeldje. Vier jaar geleden deed Orkater in haar beleidsplan het voorstel om de doorstroom van jong talent te bevorderen. De bedoeling was om elk jaar een productie te maken met iedereen die was afgestudeerd aan het conservatorium en de toneelschool en de regieopleiding erop had zitten. Misschien aangevuld met mensen die op de Rietveld decors hadden gedaan. We hadden ze zo de gelegenheid kunnen geven zich te oriënteren op het muziektheater. Vernieuwender kan het niet. We moesten er alleen een beetje extra geld voor hebben. Maar wat zei de Raad voor Cultuur? Dat is jullie taak niet. Punt uit. En nu? Nu is er ineens een staatssecretaris die zegt: wat zou het een goed idee zijn als jullie eens wat nieuw talent aanboorden. Dat riepen we vier jaar geleden al, gek! Toen hebben we het voorgesteld, maar mocht het niet en nu móet het opeens? Is dat afhankelijk van welke staatssecretaris er dit seizoen weer aan de touwtjes trekt? Wat is dat voor beleid, man?!
In deze tijden van overvloed is het wel héél merkwaardig dat de kunsten moeten inleveren. We zitten ver onder de Unesco-norm. Voor een geciviliseerd westers land is het normaal om 1 procent van de begroting te reserveren voor de kunst. Nederland zit op 0,6 procent. En ik heb de staatssecretaris nou niet echt zijn best zien doen om wat van die miljardenmeevallers binnen te halen voor zijn departement. Terwijl we er al een tijd lang elk jaar op achteruit gaan. Prijscompensatie is in onze branche namelijk een volslagen onbekend verschijnsel. Neem de nieuwe Arbo-wet voor technici. Vroeger bouwde één groep technici overdag op en deed ’s avonds de voorstelling. Dat moeten nu twee ploegen zijn. Stel je eens voor wat dat kost als je een Haags gezelschap bent dat in Leeuwarden speelt. Ik vind het hartstikke goed dat die regels er zijn en dat mensen niet meer – zoals vroeger – zestig, zeventig uur in de week werken. Voor die regelgeving zijn we echter nooit gecompenseerd. Hoog tijd voor een inhaalslag.
Op zich heeft de staatssecretaris een punt als hij lager opgeleiden, allochtonen en jongeren bij de kunst wil betrekken. Maar daarvoor moet hij niet bij ons zijn, maar bij het onderwijs. En daar is de subsidie voor uitstapjes naar het theater net afgeschaft. Hoe kan je in vredesnaam theaterbezoek in schoolverband onmogelijk maken en tegelijkertijd tegen de gezelschappen zeggen dat ze meer jongeren moeten binnenhalen?! Je hebt het hier over ontzettend moeilijk te bereiken groepen. Jongeren tussen de vijftien en vijfentwintig gaan nu eenmaal veel liever naar een popconcert in Paradiso dan naar de schouwburg. Ze verzetten zich tegen de gevestigde cultuur. He bah, toneel. Saai, man. En als ouders van allochtone jongeren nauwelijks Nederlands spreken, kan je niet verwachten dat ze hun kinderen stimuleren naar een toneelstuk te gaan. Dan kunnen wij nog zo’n mooie leuke voorstelling neerzetten – en dat doen we –, zonder duidelijke stimulans komen ze niet. Natuurlijk moeten de kunsten een spiegel zijn van de samenleving, maar ga ons geen voortrekkersrol opdringen in het oplossen van de minderheden- en integratieproblematiek. Als de politiek er zelf niet eens uitkomt, hoe moeten wij dat dan in godsnaam doen?
Voordat we in actie kwamen was het maar slecht gesteld met solidariteit onder kunstenaars. Zet tien kinderen rond een taart met zeven punten, dan zijn zeven van die kinderen tevreden en houden hun mond. Die sfeer is nu doorbroken, er wordt kunstenbreed actie gevoerd. Iedereen, of ze hun subsidie nu wel of niet houden, is het erover eens dat er slecht beleid gevoerd wordt. Een paar weken geleden hebben we een statement gepubliceerd waarin we 150 miljoen extra, een transparant adviesorgaan en nu eindelijk eens een consistent kunstbeleid eisen. Bij die gelegenheid hebben we met 150 instellingen de A10 geblokkeerd. Van de truckers hebben we geleerd hoe effectief dat kan zijn.
Kort na de blokkade bood Van der Ploeg Orkater een miljoen. Maar op voorwaarde dat de gemeente Amsterdam er ook een miljoen bijlegt. Daar had Amsterdam niet op gerekend. Nee natuurlijk niet, die zit al met een groot tekort. En wat wil Van der Ploeg nou zeggen met dat miljoen? We hangen jullie niet op, maar we schieten jullie in de knieschijven? En daar moeten we dan blíj mee zijn?! Aanvankelijk kwam mijn woede voort uit wat Orkater werd aangedaan. Dat is nu eenmaal de groep waarmee ik me het meest verbonden voel. Een uniek gezelschap dreigt te verdwijnen en er komt niets vervangends voor in de plaats. Nu gaat het om iets groters. Het is zoiets als wanneer je thuiskomt en ontdekt dat er is ingebroken. Een dag later zie je iemand met jouw tv lopen en de politie werkt niet mee. Dan ga je je niet meer uitsluitend druk maken over je tv, maar over het hele systeem. De inbraak is dan niet meer dan een aanleiding.
Rick van der Ploeg heeft besluiten genomen op grond van feitelijke onjuistheden. We hopen dat de Kamer dit advies en andere onzorgvuldig tot stand gekomen adviezen corrigeert. Zoniet, dan rest ons niets anders dan naar de rechter te stappen. Een traject dat volgens onze advocaten zeer kansrijk wordt geacht.”
Gijs Scholten van Aschat (41) verwierf bekendheid met de tv-serie Pleidooi. Voor zijn rol in Oud Geld kreeg hij in 1998 een Gouden Kalf. Het meest is hij echter te zien in de theaters. Hij speelde onder meer Hamlet van het Nationaal Toneel en in Orkater’s Wie vermoordde Mary Rogers? Zijn veelzijdigheid bewees hij verder in de verfilming van Vestdijks roman Op Afbetaling en, vorig jaar nog samen met Thomas Acda, in Lek.
Gepubliceerd in oktober 2000
Foto© Roger Cremers/SP