zaterdag 13 augustus 2011

Anderhalf jaar cel voor het gooien van een steen - Hoe Israël stelselmatig de rechten van kinderen schendt


Zevenhonderd Palestijnse kinderen tussen twaalf en zeventien jaar belanden ieder jaar in Israëlische gevangenissen. Sprake van een deugdelijke rechtsgang is er nauwelijks, zeggen advocaten van Defence for Children International. Wel van mishandeling, vernedering en dreigementen. ‘De internationale gemeenschap moet nu handelen.’

Zestien jaar is Mohammad, maar hij oogt niet ouder dan dertien. Grote donkere ogen in een smal bleek gezicht omlijst door zwarte krullen. Hij heeft de onbeholpen houding van een tienerjongen die met zijn lijf en de situatie niet goed raad weet. Een veel te grote bruine gevangenisoverall hangt om zijn lijf. Mohammad zit op een stoel in rechtszaal nummer twee en bengelt met zijn benen. Hij kan niet bij de grond. Zijn ketenen rammelen. Wanneer zijn vader binnenkomt, licht Mohammads gezicht op. Hij pakt vaders hand, kust hem en verbergt zijn gezicht in de handpalm. Meteen stuift een bewaker op hen af en duwt vader en kind ruw uiteen. In bloedhete, slecht geventileerde portocabins naast Ofer prison nabij Ramallah in de bezette Palestijnse gebieden, spreekt het Israëlische leger recht. Aan de lopende band. Jongetje na jongetje wordt geboeid binnengeleid. Zestien, veertien, dertien jaar oud. In een paar minuten is het over en klost het kind met een veroordeling voor stenen gooien, bezit van een molotovcocktail of lidmaatschap van een verboden organisatie op zak tussen twee bewakers in, terug naar de gevangenis. Drie maanden, tien maanden, anderhalf jaar cel. Nooit gaat een kind dat hier binnenkomt met zijn ouders mee naar huis.

Afdingen op detentieduur, meer is het niet’

Volgens cijfers van Defence for Children International (DCI) worden ieder jaar ongeveer zevenhonderd Palestijnse kinderen in de Westelijke Jordaanoever veroordeeld door Israëlische militaire rechtbanken. Sinds het jaar 2000 zijn 6.500 kinderen voor kortere of langere tijd vastgezet. Advocaten van DCI staan 30 tot 40 procent van de kinderen bij tijdens de zitting. Zo goed en zo kwaad als het gaat. ‘Er is nauwelijks sprake van waarheidsvinding of een deugdelijke rechtsgang’, vertelt advocaat Iyad Misk. ‘Ik zie de meeste kinderen pas in de rechtszaal voor het eerst. Meestal heeft het kind tijdens het verhoor onder druk van zijn ondervragers al bekend. Vaak krijgt het een verklaring in het Hebreeuws te ondertekenen en heeft het geen idee welke feiten het bekend heeft.’

Tot een proces waarbij getuigen worden gehoord, komt het zelden. De bekentenis is het enige bewijs, de ondervragende legerfunctionaris de enige getuige. De betrouwbaarheid of rechtmatigheid van het verkregen bewijs aanvechten, betekent dat het vonnis meestal zes maanden tot een jaar op zich kan laten wachten. Al die tijd blijft het kind vast zitten. Misk: ‘De rechter zal altijd het woord van de ondervrager zwaarder laten wegen dan dat van het kind. Bovendien is het onze ervaring dat de strafmaat hoger uitvalt wanneer we er een zaak van maken, dan wanneer het kind bekent.’

‘Bargaining’, zegt Misk. ‘Afdingen, meer is het niet.’ Ook voor Mohammad, die heeft bekend stenen te hebben gegooid naar de omheining van een nederzetting, kan Misk niet meer doen dat wat soebatten over de duur van zijn detentie. In een paar minuten is de eis van 3,5 jaar teruggebracht naar zeventien maanden. Die zal Mohammad in een inrichting in Israël uitzitten. Zijn ouders zal hij daar niet zien. Palestijnen krijgen zelden of nooit toestemming naar Israël te gaan.


Militaire verordeningen
De militaire rechtbanken werden ingesteld na de Juni oorlog van 1967, waarbij Israël de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en de Golanhoogte in Syrië bezette. Niet minder dan 2500 militaire verordeningen bepalen het dagelijks het leven van de Palestijnen, maar zijn niet van toepassing op de 350.000 joodse kolonisten in het gebied. Verordening 1651 staat de arrestatie en detentie van kinderen vanaf twaalf jaar toe. Militaire verordeningen zijn geen wetten. Al naar gelang de politieke situatie kunnen nieuwe verordeningen worden uitgevaardigd of oude worden ingetrokken.

De rechtsgeldigheid van de rechtbanken in bezet gebied is niet onomstreden. ‘Volgens de Vierde conventie van Genève moet de bestaande wetgeving van bezet gebied in stand worden gehouden’, zegt Gerard Horton. De Australische jurist en advocacy officer van Defence for Children in Ramallah was onlangs in Nederland om te spreken met parlementariërs en beleidsambtenaren. ‘Alleen wanneer de veiligheid in het geding is, mag de bezetter nieuwe wetten invoeren. Israël meent dat militaire recht noodzakelijk is voor de bescherming van de kolonisten. De aanwezigheid van kolonisten in bezet gebied is echter in strijd met de Vierde conventie van Genève die een bezettingsmacht verbiedt de eigen burgers naar bezet gebied te verplaatsen.’ Israël meent echter dat de Vierde conventie van Genève niet van toepassing is op de Westelijke Jordaanoever omdat het gebied niet bezet maar betwist zou zijn en geen onderdeel was van een soevereine staat. Het internationale gerechtshof is echter van mening dat de conventie ook in de Westelijke Jordaanoever en Gaza van kracht is.

Geweld als controlemechanisme
Ex-soldaten in het Israëlische leger, verenigd in ‘Breaking the Silence’, spreken over de systematische gewelddadige arrestaties, verhoren en veroordelingen als een controlemechanisme, een manier om verzet in de kiem te smoren. Volgens Horton een vrij aannemelijke theorie: ‘Bekijk het vanuit het perspectief van de legercommandant: een aantal stenen landt op een legervoertuig of in een nederzetting. Hij ziet vaak niet waar het vandaan komt. Hij kan het ook niet laten gaan, want dan zijn en de dag erna twee stenengooiers, daarna vijf, daarna vijftig. Hij neemt aan dat de daders jong zijn en uit het dichtstbijzijnde dorp komen. Hij gaat na wie er uit het dorp eerder gearresteerd zijn en steekt zijn licht op bij informanten. Dan geeft hij het bevel tot een inval. Met twintig militaire voertuigen valt hij het dorp binnen, licht families van hun bed, laat ze een aantal uur buitenstaan en arresteert een paar kinderen. Of ze het gedaan hebben weet hij niet en dat maakt ook niet uit. Ze gaan door het systeem, zijn maandenlang van de straat en de rest houdt zich rustig. Invallen en arrestaties maken kinderen bang, geïntimideerd en lamgeslagen, niet militant. Vanuit het standpunt van een bezettingsmacht is dit heel effectief. Vanuit het internationale recht gezien is het immoreel en illegaal.’


Beit Furik, een dorp in het noorden van de Westelijke Jordaanoever van ongeveer elfduizend inwoners, zit ingeklemd tussen twee grote joodse nederzettingen. Tot de Tweede Intifada werkte ruim driekwart van de dorpelingen in Israël. Met het uitbreken van de Palestijnse volksopstand in 2000 werden alle werkvergunningen ingetrokken en viel de belangrijkste inkomstenbron van het dorp weg. Een checkpoint beperkte de bewegingsvrijheid van de inwoners verder. De aanleg van de verbindingsweg tussen de nederzettingen – die alleen toegankelijk is voor kolonisten - ging gepaard met de onteigening van grote stukken landbouwgrond, waarvoor eigenaren niet werden gecompenseerd. Gewelddadige confrontaties met kolonisten, vernieling van gewassen en invallen van het Israëlische leger zijn aan de orde van de dag.

’Kinderen voelen zich machteloos, hun behoefte tot verzet is groot’

‘Er is geen gezin dat niet heeft geleden onder de gevolgen van de bezetting, de kinderen incluis’, vertelt Nesrine, moeder van de zeventienjarige, gedetineerde Yazan. ‘Iedere moeder probeert haar kinderen van het stenen gooien af te houden. We sluiten ze thuis op als het moet en als er vermoedens zijn dat ze met verkeerde mensen omgaan, houdt het hele dorp ze in de gaten. Maar de kinderen voelen zich net zo machteloos als wij. Hun behoefte om zich te verzetten is zo groot.’

Yazan is de jongste in een gezin van vier kinderen, met alleen moeder Nesrine aan het hoofd. Vader, die in de Juni-oorlog van 1967 tegen het Israëlische leger vocht, stierf tien jaar geleden aan de gevolgen van kanker. Zijn jongste is een energieke, atletische tiener met meer belangstelling voor voetbal dan voor huiswerk. Nesrine, een vermoeid ogende vrouw van onbestemde leeftijd, toont zijn foto die een week eerder in de gevangenis in Israël werd gemaakt. Spijkerbroek, skaters t-shirt en stekeltjeshaar. ‘Dit zijn zijn kleren niet’, vertelt ze. ‘De pakketten die ik stuur komen niet aan. Yazan moet kleren lenen van andere kinderen.’
Op zijn zestiende werd Yazan gearresteerd bij Huwwara checkpoint in de buurt van de stad Nablus. Achttien dagen lang werd hij ondervraagd in het detentiecentrum. Hij zou op zijn dertiende contact hebben gehad met een gezochte activist. Tijdens het verhoor kwam er een aantal aanklachten voor stenen gooien bij. Nesrine noch de advocaat van DCI mochten bij hem. Nesrine: ‘Ik weet niet wat is er gebeurd. Of hij geslagen is, of erger...’

Verboden ondervragingsmethoden
Onderzoek van DCI geeft aan dat Nesrine’s angst niet zonder reden is. Horton: ‘Ondanks dat Israël het in 1991 VN-folteringsverdrag heeft geratificeerd, en het verbod op marteling een fundamenteel principe is van het internationale recht, past het Israëlische leger verboden ondervragingsmethoden toe op kinderen, zoals slaan, het onthouden van voedsel en slaap en bedreiging met mishandeling van henzelf of hun familieleden.’ Een uitspraak van het Israëlische Hooggerechtshof dat technieken die ‘redelijke verhoormethoden’ te boven gaan in 1999 als illegaal verklaarde, bracht hier geen verandering in. De Israëlische mensenrechtenorganisatie Public Committee Against Torture in Israël (PCATI) bevestigt de bevindingen van DCI. Ook oud-soldaten getuigen tegenover Breaking the Silence van gewelddadige arrestaties van kinderen.

Een jaar cel kreeg Yazan. Op het moment van het vonnis was hij zestien jaar oud. Volgens de Militaire Verordening 1651 wordt een Palestijns kind van zestien jaar als volwassene berecht. Leidend is de leeftijd op het moment van veroordeling, niet het moment van het gepleegde vergrijp. Volgens het VN-Kinderrechtenverdrag, ondertekend en geratificeerd door Israël, is een minderjarige ieder mens onder de 18 jaar oud.

Zes maanden heeft Nesrine haar zoon niet gezien. ‘Om veiligheidsreden krijg ik geen bezoekerspas’, zegt ze. ‘De veiligheidsreden is mijn overleden man. Ik begrijp het niet. Hij is al tien jaar dood en zijn enige militaire activiteit was dienen in het leger tijdens een oorlog tegen een vreemde mogendheid. Ik ben bang van geweld, ik ren weg als ik een soldaat zie. Hoe kan ik nu een gevaar zijn?’

Advocaat Iyad Misk: ‘hiervoor ben ik geen jurist geworden’

Yazan begrijpt het nog minder. Via-via hoort Nesrine dat hij boos op haar is. ‘Ik heb hem via het Rode Kruis een brief gestuurd en hem geprobeerd uit te leggen dat ik wel wil komen maar niet mag. Ik weet niet of hij het begrijpt. Andere kinderen krijgen wel bezoek van thuis.’ Een zucht en een korte stilte. Dan: ‘Ach weet je, een gezicht went eraan om klappen te krijgen.’

Advocaat Iyad Misk houdt niet van zijn werk. Meewerken aan een systeem dat niets met recht te maken heeft valt hem zwaar. ‘Ik raad kinderen aan te bekennen, of ze schuldig zijn of niet, omdat ik weet dat ze anders alleen maar langer zullen zitten. Hiervoor ben ik geen jurist geworden.’ Een boycot, iets waar zijn collega’s en hij het vaak over hebben, is voor hem geen optie. ‘Het systeem draait ook zonder ons door. En kinderen betalen de prijs. Zolang er maximumstraffen van twintig jaar kunnen worden uitgedeeld voor stenen gooien, ben ik het aan de kinderen verplicht in de molen mee te draaien.’



‘Israël heeft zich net als alle VN –lidstaten aan het internationale recht en aan mensenrechtenverdragen te houden’, meent Horton, maar heeft daar, door ervaring wijs geworden, geen hooggespannen verwachtingen van. ‘Zolang de bezetting voortduurt, zal het schenden van kinderrechten voortduren. Geweld tegen burgers is nu eenmaal een effectieve manier om verzet de kop in te drukken.’ Een spoedig einde aan de 64 jaar durende bezetting ligt niet in het verschiet. ‘De kinderen moeten nú beschermd worden tegen willekeur en mishandeling. Defence for Children International roept regeringen op bij Israël aan te dringen op het toestaan van aanwezigheid van ouders en advocaten bij de verhoren en registratie. Meldingen van mishandeling, bedreiging of vernedering tijdens verhoor moeten worden onderzocht.’ SP-Tweede Kamerlid Harry van Bommel heeft minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken gevraagd bij Israël de afschaffing van verordening 1651 te bepleiten.

Kinderrechten volgens de VN
De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een kind geschiedt overeenkomstig de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur. VN-Kinderrechtenverdrag artikel 37b

Geen enkel kind wordt onderworpen aan foltering of aan een andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. VN-Kinderrechtenverdrag artikel 37b

Ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd heeft het recht onverwijld te beschikken over juridische en andere passende bijstand, alsmede het recht de wettigheid van zijn vrijheidsberoving te betwisten. VN-Kinderrechtenverdrag artikel 37e

Foltering is iedere handeling waardoor hevige pijn of hevig leed, lichamelijk dan wel geestelijk, opzettelijk wordt toegebracht aan een persoon met als oogmerken om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen. VN-Verdrag tegen foltering artikel 1

Geen enkele extreme omstandigheid, een staat van oorlog of een dreiging van oorlog, politieke instabiliteit of een andere openbare noodsituatie, kan worden aangevoerd als een rechtvaardiging voor foltering. VN-Anti-folteringsverdrag artikel 2.2


(Gepubliceerd in de Nieuwe Liefde, najaar 2011)