zaterdag 29 september 2007

Grubby Guys

(Voor de voorstelling "De vieze gasten" bestond al een mooie bio. Omdat de Lachende Zon de voorstelling zonder woorden ook graag in het buitenland wilde spelen, vertaalde ik de tekst van de bio naar het Engels)


Slurping, stammering, laughing, crying, weeping, burping, whispering, farting, humming, barking, lisping, gulping, smacking, sniffing scratching, snickering, snoring, lurking.

A mouse dartles through the hall. Slurp catches it and eats it. And nothing digests a good meal like a nice little burp. Cool wants to make himself nice and comfy for the show, but realises he can’t get by on attitude alone. Even tough guys like to fall asleep to the sweet sound of a musical box.

And what about Slurp? Does he allow Cool to have his nap, or will he wake him up to a bit of jazz? Cool is a dog lover, but how can he teach Slurp not to gobble from the dog bowl?

And there you have ‘em, The Ladies. Lovely hairdo, if they say so themselves. Now powder your noses and sing along. The Ladies are always on the lookout for a good singing voice. Which of course is what you do, if you don’t have one yourself.

Slurp, Cool and The Ladies are represented by beautifully made bodyless dolls that produce sounds rather than actual words. A musical and interactive performance that can be played in theatres, open air showings, festivals...anywhere!

Geen snoezeltheater, het mag best Luid!

Deze tekst kondigt de voorstelling "Luid" aan, speciaal voor mensen met ernstige verstandelijke beperkingen - zeg maar vanaf babyniveau. Hij werd afgedrukt op een folder die uitgeklapt ook als poster opgehangen kon worden.)

“ In het land van licht en donker , rijdt de rode tovertrein. Die alleen bij jou kan komen als alle seinen veilig zijn…”
Uit: Nanny Kuiper- Zo kan het ook

Bezoek Mindor per trein
De Lachende Zon Tours biedt u aan: een geheel verzorgde reis naar het exotische Mindor! In een comfortabele boemeltrein reist u gegarandeerd eerste klas door het wonderschone landschap van Niemandsland. Onderweg onthalen de reisleiders u op oorspronkelijke muziek en zang. Dit alles geheel volgens eeuwenoude Mindoriaansgebruik: Luid.

Maak onderweg kennis met uw Mindoriaanse reisgenoten. Ze zijn altijd bereid u iets van hun taal te leren. Zowel in het hoog- als het laagseizoen biedt De Lachende Zon Tours u de keuze uit drie vertrekmomenten op een dag. Aarzel niet en boek nu de reis van uw leven!

Geen snoezeltheater, het mag best Luid!
Theater voor mensen met een verstandelijke beperking hoeft niet per se lief en zacht te zijn. Het mag best luid. In hun voorstelling maakt theater De Lachende Zon bewust gebruik van prikkelende geluiden en stevige muziekritmes.
De acteurs bouwen contact op met hun publiek door het rustig observeren van hun uitingsvormen en het zich eigen maken van ieders specifieke gebaren en geluiden.

In Luid is een trein onderweg naar het land Mindor. De stoomaandrijving tsjoeketsjoekt ritmisch. De passagiers zijn Mindorianen (bewoners) Ook de reisleiders zijn Mindoriaans, zij commmuniceren met de reizigers in hun eigen taal. Zij leren hun woorden en gebaren en boeien hen met muziek. Er zijn een paar buitenlanders in de trein (de begeleiders). Zij begrijpen de taal en de gebruiken onder de Mindorianen niet zo goed. Maar er wordt wel van hen verwacht dat ze een ‘praatje’ aanknopen met hun mederezigers. In het Mindoriaans ‘s Lands wijs ‘s lands eer. Met Luid wil De Lachende Zon nadrukkelijk er dan voorheen ouders en begeleiders te betrekken bij de voorstelling. Zij hebben een duidelijke taak in het geheel.

De beide acteurs, Elco van Alphen en Margo Lötters, kunnen putten uit een rijke ervaring met ernstig verstandelijk gehandicapten. Van huis uit zijn zij respectievelijk activiteitenbegeleider en muziektherapeut voor mensen met een verstandelijke handicap. Sinds 1994 maken zij voorstellingen speciaal voor deze groep.

De voorstelling is afgestemd op een aantal van vijftien bewoners. Hier wijken we liever niet vanaf. Een paar maal tijdens de voorstelling zoeken de acteurs een op een contact met de mensen. Met vijftien man heeft iedereen precies voldoende tijd om de ervaring te verwerken, tot de volgende ontmoeting met de ‘reisleider’.

Zij maken Luid
Willy Verkuil regie
Margot Lötters spel
Elco van Alphen spel en produktieleiding
Manon van Hees zakelijk leider
Lory Caldarella décor
Christine de Vos folderteksten
Kenneth van Beveren grafische vormgeving

De lachende Zon bedankt:
Nederlandse stichting voor het gehadicapte kind
VSB Fonds
Provincie Noord-Brabant zorg
Provincie Noord-Brabant Actieplan cultuurbereik
Cello locatie de Binckhorst

De kosten
1 voorstelling €410,--
2 voorstellingen € 510,--
3 voorstellingen € 615,--

Prijzen zijn exclusief BTW 6% en reiskosten, 33ct per kilometer.
Meestal spelen we drie voorstellingen op een dag.

Sponsor Stichting de Zon
U kunt ook losse toegangs kaartjes kopen, dezen zijn echter niet voor uzelf, maar voor mensen met een verstandelijke beperking. Deze kaartjes kosten €17,50. Als we 45 kaartjes verkocht hebben dan kunnen we een mede door u gesponserde speeldag organiseren. Op www.delachendezon.nl kunt u dan zien waar en wanneer de voorstelling word gespeeld.

Stichting De Zon: Postbank 8075475

Voor meer informatie en boekingen
Theater De Lachende Zon
Keizershof 505
5403 BE Uden
tel. 0413-253984 e-mail: delachendezon@home.nl

Circusartiest worden? Dat kan jij ook!

(Theater De Lachende Zon is een fantastische gedreven club mensen die gespecialiseerd is in theater voor mensen met een verstandelijke beperking, en voor kinderen. Zo af en toe krabbel ik met veel plezier een 'biootje' voor de website of voor gedrukt materiaal, zoals deze, voor een circusworkshop voor kinderen.)

Dames en heren jongens en meisjes! Komt dat zien. Komt dat zien! Het circus is in de stad. De tijgers, paarden, olifanten, clowns en jongleurs zijn in optocht door de stad getrokken. Nu is de voorstelling. De tent zit tot de nok toe vol. De trommels roffelen. Het zoeklicht schijnt op het zaagsel in de piste en glijdt dan omhoog naar het dak van de tent. Daar helemaal bovenin, klaar om – zonder vangnet – aan de trapeze naar de ander kant van de tent te zwaaien… sta jij!

Droom je daar ook wel eens van? Om als een echte circusartiest het hooggeëerd publiek te vermaken? En wat zou je dan willen zijn? Een clown, die op een fietsje met één wiel lekker gekke stunten uithaalt? Of een koorddanser die wiebelend over een touw toch veilig aan de overkant komt? Of misschien hou je meer van dieren en wil je leeuwen temmen. Als je die grote katten toch beetje eng vindt, kun je misschien het aller- allerkleinste circusdier – de vlo –wel kunstjes laten doen. Maar die kunsten moet je dan wel eerst zelf leren…

En dat kan! De directeur van Theater de Lachende Zon leert je echte circuskunsten. Zoals lopen op grote tonnen, bordjes draaien op een stokje, jongleren met diabolo’s en ringen, dansen over het koord en fietsen op één wiel. En natuurlijk hoe je als een echte artiest aan het einde een sierlijke buiging maakt voor het publiek.

Hoor je het applaus al? En het getrappel van de paarden met de veren op hun kop – eh, pardon…hoofd? Ruik je het zaagsel en de geur van de schmink? En ben je misschien zelfs al een beetje zenuwachtig voor het optreden? Kom dan meedoen met de circusschool.

Als je zes jaar of ouder bent, én je ouders meeneemt, mag je komen. Eén keer of vaker. Wie vijf lessen volgt, krijgt een officieel Theater de Lachende Zon circusdiploma.

Circusschool de Lachende Zon is er op 26 januari, 23 februari, 30 maart, 27 april, 25 mei en 29 juni in De Groene Engel. De lessen zijn van van 12.30 tot 14.00 uur. Van 14.00 tot 15.00 is er een speciaal uurtje voor kinderen met een verstandelijke beperking.

Parijse toestanden door Nederlandse ogen

Nachtenlang waren de Franse voorsteden het decor van geweld en vernieling. Minister Nicolas Sarkozy van Binnenlandse Zaken sprak over de jongeren als tuig waar met de Kärcher-spuit overheen moest. 73% van de Fransen geeft hem gelijk. Maar wat denken in Parijs wonende Nederlanders?

Wilfred de Bruijn, 31 jaar, Kunsthistoricus
“Ik begrijp maar niet hoe
een verschrikkelijk ongeluk als dat van die twee jongens die in een transformator zijn geëlektrocuteerd, ertoe heeft kunnen leiden dat in heel korte tijd zoveel mensen zò kwaad zijn geworden dat ze de straat zijn opgegaan. Niet om te demonstreren met spandoeken, maar om de boel te slopen. Ik weet hoe moeilijk het leven voor hen is, maar ik vat het echt niet.
Premier De Villepin heeft volgens mij verstandig gereageerd. Orde op zake
n stellen, maar ook wat de afgelopen jaren aan sociale voorzieningen is afgebroken voor een deel terugdraaien.
Met harde hand op
treden is een ding, maar alleen daarmee redt je het niet. Investeren in opleiding, behoorlijke huisvesting en het tegengaan van racisme zijn onmisbaar om de mensen hun gevoel voor eigenwaarde te laten terugvinden.”

Miriam Bruin, 32 jaar, Juridisch secretaresse
“Dat er rellen zijn uitgebroken verbaast me niets. De politiek heeft de
zaken in de wijken ontzettend uit de hand laten lopen. Door te korten op subsidies van welzijnswerk, de arbeidsbureaus te sluiten en door de functie van wijkagent op te heffen. Iedereen wist hoe moeilijk de situatie is en dat het vroeg of laat tot en ontploffing moést komen.
Ik heb me afgevraagd waarom het juist nu is
gebeurd, terwijl het vijf jaar geleden even slecht was. Ik denk dat het beleid van Sarkozy meespeelt: sinds zijn aantreden is er veel politie op straat, en wel stevig uitgeruste bijna militaire politietroepen, hard optreden en geen aandacht voor discriminatie en islamofobie.
De Villepin belooft investeringen in de buitenwijken, maar blijft
steken in algemeenheden. Hij weet dat hij iets moet doen na alle kritiek op de repressie, maar vooralsnog heb ik geen concrete plannen van hem gehoord.”

Marieke Wiegel, 35 jaar, Organisator exposities
“Ik woon in het twintigste arrondissement van Parijs, een levendige volkswijk. Een paar straten verderop zijn wat men noemt ‘de gevoelige buurten’. Er was de laatste nachten veel politie op de been, maar er is niets gebeurd. Mijn werk is in het haute bourgeois zevende arrondissement, en hier worden mensen bijna bang als ik zeg waar ik woon. Ik verbaas me regelmatig over hoe weinig de principes van de Revolutie in praktijk worden gebracht. Frankrijk is echt een klassenmaatschappij. Hele bevolkingsgroepen worden structureel uitgesloten en dan vindt men het nu raar dat die frustratie in een klap tot uiting komt.
Nu is de noodtoestand uitgeroepen met behulp van een wet die indertijd is gebruikt tegen de vaders van de jongeren, om protesten tegen het neerslaan van de onafhankelijkheidsbeweging in Algerije te smoren. Dit is een extra klap in het gezicht van de tweede generatie.”

Gepubliceerd in November 2005

Ashton Centre provides jobs and hope for the future in North Belfast

Thirteen years after the Good Friday agreement, which almost ended sectarian violence, Northern Ireland no longer makes the front page. While up the hill in Stormont Castle, peace talks are coming to an end, making power sharing in the North a realistic option, the people of North Belfast are left with the legacy of ‘The Troubles’. Unemployment, poverty and poor health reign the area of New Lodge. “But”, says Paul Roberts, executive officer of the Ashton Centre, “There is also strong sense of community and hope for the future.”

The coffee table at the entrance of Ashton Centre is filled with brochures: “Do you believe in North Belfast? Are you unemployed and willing to return to work?” Employability is the Centre’s main goal. “Many people in the area have got no qualifications”, says Paul Roberts. “This is a direct result of The Troubles. The conflict has left both the republican and loyalist communities devastated. Traditionally, education was considered a way out among Catholic working class. Not in New Lodge. Catholics have been discriminated against on the labour market for so long that many of them think: ‘Why bother?’”

Today the centre works closely with the local schools in both communities to promote the importance of education.In the ‘job club’, Kirsty McAuley explains the Labour Market Intermediary Program (LMI), funded by the Department for Employment and Learning : “First we assess the needs of people that come to us. They may have to develop their reading and writing, or lack basic self-esteem. We also provide computer classes and courses in accounting or payroll administration.” From April 2005 to March 2006 out of 649 people, 142 found a job through LMI, a further 343 people received training that will help them to progress to employment.

Una Gavigan is liaison officer for the local companies. “Some time ago, we started a project with a security company. We discussed what positions were available, which skills were required and how we could train our people to fill those positions. We agreed that if we provided the training, the company would guarantee a job for whoever completed the course.” In collaboration with a Belfast retail company Ashton provided sales training and guaranteed job interviews for participants completing the course. In the year April 2005 – March 2006, 37 people attended pre-employment courses with Woolworth, Halifax and the Merchant Hotel with 15 people being offered jobs and 23 company visits arranged with potential employers.

Jack Forgie focuses on the long-term unemployed who have got some history of employment. “It is extremely difficult to find work when you’ve got a gap of several years in your CV. No employer will take the risk of taking you on. Thanks to our partnership with local enterprises and European funding, we can provide an unemployed person with a salary for a period of nine months, during which they can develop their employment skills where it matters: in the workplace. Hopefully the employer will keep the person on, but in each case our participant will have improved his skills, which will help him on his way to a permanent job.” Forgie’s project has started only recently, but he is optimistic about future results.
The Ashton Centre itself is one of the major employers in New Lodge. It has got 72 people on payroll. The majority of them, Roberts included, are New Lodge locals. Ashton houses several small businesses as well as a day care centre, for 90 children between the ages of 6 months and 12 years. “Our childcare facilities enable parents to go to work, or come to class and know that their child is well looked after”, says Roberts.

Even though both communities use the Centre, integration is still one bridge too far. “People don’t trust each other”, says Roberts. “When we give courses we go into the respective areas, so both groups won’t have to meet. We have got a few cross-community projects, but I think it is too early to expect much more. An 800-year-old conflict is not solved overnight. For now we are happy that people can live in peace and that we can contribute to a better living standard for both communities.”

The Aston Centre has proved to be a great success. Slowly but certainly unemployment rates are dropping. “But most importantly”, says Roberts, “people are more optimistic about their future and willing to invest in their area”. To meet the overwhelming demand, a second centre is due to open next year.

Published May 2007
Photo: (c) Ashton Centre


donderdag 27 september 2007

Les Docklands de Cork : une rénovation menée à bon port

Au sud-ouest de l’Irlande, assise à l’embouchure de la rivière Lee, Cork, la seconde ville du pays, a reçu en 2005 le titre de « capitale régionale européenne ». Portail desservant la région méridionale du pays, Cork s’est lancée dans un programme ambitieux de rénovation de la zone portuaire. Reportage au sein des Docklands, projet étudié dans le cadre du réseau SURCH.

Il fait très froid à Cork. La ville est couverte de neige, un événement rare dans un pays au climat plutôt modéré. La zone portuaire est du même gris que le ciel. Le vent a champ libre entre les bâtiments bas. C’est ici qu’Henry Ford(1) a ouvert son usine de tracteur en 1918. Une décision plus charitable qu’intéressée, vu que le marché se situait sur le continent européen. « Tout Cork » gagnait sa vie chez Ford. La récession économique des années 80 marqua la fin de cette époque.
A l’est du centre-ville, le domaine portuaire, les « Docklands », occupe 166 hectares, de part et d’autre de la rivière. Le potentiel du site fut reconnu en 1990, avec pour résultat la création de « la Stratégie du Développement des Docklands » en 2001. Ce document présente une vision d’une zone résidentielle et professionnelle de haut de gamme, ainsi que le développement d’un espace culturel et de loisirs. Pour mener à bien cette réalisation, la ville de Cork a noué des partenariats dans les secteurs public et privé.

Une rénovation qui fait la part belle à l’intégration sociale
Le directeur des Services des Docklands, Pat Ledwidge, et Evelyn Mitchell, planificatrice en charge, reçoivent au Siège des Docklands, au milieu de la zone portuaire. Par la fenêtre, on découvre de grandes grues émerger derrière les bâtiments. « Dans 20 ans, plus de 20.000 emplois auront vu le jour ici. Et les Docklands compteront, à la même période, jusqu’à 33.000 résidents », sourit Ledwidge. Le domaine accueillera aussi une université, des parcs et un système de transport public qui connectera le quartier au centre-ville.

« L’intégration sociale » est un élément important de la rénovation. « Le potentiel d’emploi sera optimisé », dit Ledwidge. « Nous attendons des ouvertures de postes dans le domaine des services financiers et de l’industrie pharmaceutique. Mais aussi dans la restauration et les loisirs. » Au moins 20 % des appartements seront des logements sociaux ou des habitations accessibles aux personnes aux revenus modestes. Et le directeur des services précise que, d’après différentes études, « les propriétaires s’investissent plus dans la communauté et les activités sociales que les locataires ».

Les responsables du projet ne disposent pour le moment que d’une petite partie des Docklands et l’acquisition du reste devrait être finalisée dans les prochaines années. Les subventions de l’État permettront d’attirer certaines entreprises. Dans le même temps, il faudra convaincre d’autres compagnies, comme les pétrolières Topaz et Esso, de quitter le site.
Avec quelques centaines de maisons, réparties actuellement sur le domaine, la zone n’est pas encore une communauté. Pourtant, Ledwidge et Mitchell recueillent déjà des opinions sur le projet. Depuis peu, les représentants des services publics et de nombreux artistes s’expriment aussi sur la Stratégie du Développement des Docklands et les premiers avis sont plutôt favorables.

SURCH, une source d’inspiration
Grâce au réseau SURCH, Cork a pu bénéficier des expériences des autres villes membres. Evelyn Mitchell se dit « très impressionnée par le rôle que jouent l’art et la culture dans l’intégration sociale à Athènes, par exemple, où l’agencement des édifices sociaux et culturels a été particulièrement bien pensé. » Elle confie avoir beaucoup apprécié la façon dont la ville de La Valette sur l’île de Malte a fait un lien entre le passé et le présent. « Malheureusement, l’architecture du site ne nous permet pas de donner un nouveau souffle aux bâtiments existants, comme à La Valette », précise-t-elle, « Mais il y a d’autres façons de puiser aux sources de notre héritage. Juste avant Noël, nous avons organisé une exposition d’anciennes photos célébrant la vie des dockers d’autrefois. C’était notre manière de les saluer avant de tourner la page. »

Dans un pub à deux pas du Siège, Gillian et Peter se réchauffent en compagnie d’une pinte de Guinness. Pour Peter, chauffeur de bus, qui est né et a toujours vécu à Cork, « il est grand temps qu’on fasse quelque chose pour le domaine. Le site est un peu en désolation, mais sa proximité de la rivière est très sympa ! » Gillian, quant à elle, est assistante sociale. Originaire de Galway, elle habite le centre-ville de Cork depuis 5 ans. Elle se réjouit de l’aspect social de la rénovation. « D’habitude, de grands projets comme celui-ci n’ont que la construction d’appartements hors de prix pour résultat. Je suis contente d’entendre que nous aurons aussi une place ici. »
Le développement des Docklands n’en est qu’à ses balbutiements et pourtant l’avis général est plutôt favorable à ce projet de grande envergure. D’ici 20 ans, le port de Cork sera complètement transformé et la prochaine exposition montrera des changements beaucoup plus importants que celle de décembre 2006.

(1)Les parents d’Henry Ford sont originaires de Cork.
Publié Avril 2007

Le masque est tombé, ou comment les Pays-Bas tolérants traitent les réfugiés

Un incendie dans un centre de rétention à Schiphol aéroport novembre 2005 a choqué les Pays-Bas. C’est ainsi qu’on traite les immigrés dans le pays renommé libertaire et humain. Incarcérés dans des «centres de départ» ou des «bateaux-prison», sans les soins nécessaires et bien loin des quartiers du centre-ville, le destin des demandeurs d’asile déboutés de leurs droits - désormais étrangers non-désirés - échappe complètement du champ de vision du peuple néerlandais. Il est cependant grand temps d’y faire une visite - pour qu’on ne puisse pas dire : « Wir haben es nicht gewuβt » ("nous ne le savions pas").


Le centre de départ de Ter Apel, tout au nord des Pays-Bas, proche de la frontière allemande, se trouve littéralement au bout du monde. Un long chemin traversant des champs en jachère mène respectivement au centre d’arrivée, centre de départ et le centre de rétention. La voie la plus courte entre point A et point B est la ligne droite. A la fin du chemin, une barrière et une loge. Passeport s’il vous plaît.

La veille, j’ai parlé à Biharbîn, une jolie adolescente de 16 ans et son frère Mehdi, 15 ans. En 5 ans ils ont vu plusieurs centres d’asile, dont celui à Ter Apel. Il y a deux ans, le service d’immigration, l’IND (Service néerlandais de l'immigration) a refusé leur demande d’asile, mais ça ne fait que quelques mois que la famille a été mise au courant. Trop tard pour faire appel. Une grande partie de leur dossier a disparu. Ils ont beaucoup de courage de me raconter leur histoire. La ministre Rita Verdonk a menacé de publier les dossiers de ceux qui osent rechercher la presse, afin d‘exercer son « droit de réponse »

Dans la rue, mais plus dans les statistiques
Retourner n’est pas une option pour la famille. L’Ambassade de Syrie n’a pas voulu fournir les papiers nécessaires. La mère des enfants a contacté son frère en Syrie pour qu’il les aide. « Mais mon oncle n’ose pas », dit Biharbîn, « il ne veut pas mettre en danger ma tante et mes cousins. Il peut avoir des graves problèmes à cause de nous ». L’expulsion est impossible, comme pour beaucoup d’autres réfugiés. Le mois de janvier, ils sont mis à la rue: les ados, leurs parents et leur petite sœur Jînê de 7 ans. Toujours aux Pays-Bas mais plus dans les statistiques et c’est ça qui compte : cinq personnes en moins sur le grand total de 26.000 ‘déboutés’. Pour le moment ils habitent une petite chambre auprès d’une fondation caritative.

L’ancien dépôt de l’OTAN respire la gloire passée : bâtiments écaillés, des mauvaises herbes partout. Le haut grillage, des gardiens et l’obligation de se présenter deux fois par jour rappellent encore au passé militaire. Dans une petite cuisine de la baraque qu’elle habite avec son mari et leurs quatre enfants, Achlam, une Palestinienne du Liban, prépare des galettes salées. Sa petite fille de neuf ans pique mon cahier. « Je m’appelle Amani et je suis contente que tu sois là. Mais pour quoi tu n’as pas amené ma copine Jînê ? », écrit-elle sans faute. Après 5 ans, la famille a enfin obtenu son statut de réfugié.

Famille en menottes
« Nous étions en fin de nos droits d’asile », raconte Achlam, « et l’IND nous a renvoyés au Maroc. Comment ça, renvoyé ? Je ne suis pas marocaine. » Les autorités marocaines renvoyaient la famille tout de suite aux Pays-Bas. « Nous avons obtenu notre permis de séjour, parce qu’on ne savait pas quoi faire avec nous. » Le permis est issu pour 5 ans, mais peut être révoqué à chaque moment.

D’habitude on reste 9 semaines dans le centre avant être envoyé en prison - les familles – enfants inclus - dans le « bateau-prison » de Rotterdam et les célibataires en prison Ter Apel. L’IND assure que ce ne sont que des personnes qui ne collaborent pas à leur retour où ceux avec des antécédents criminels qui sont incarcérés. « Ah bon ? » réagit Biharbîn violemment « Ils ont envoyé toute une famille en prison à Rotterdam. Dans une camionnette à barreaux. Tout le monde en menottes, même le petit garçon de deux ans. Explique-moi quels sont ses antécédents criminels à lui! »

« Tu sais, Ibrahim est en taule », dit Amani sans sourciller, comme si c’était la chose la plus normale au monde. Pourtant, Ibrahim, un Kurde syrien âgé de 30 ans, était le grand ami des enfants. C’était lui qui organisait la manifestation à laquelle tous les habitants du campement participaient. « On a beaucoup bossé » dit Mehdi, « on a fait des banderoles et tout » Biharbîn interrompt : « On avait un permis de la mairie. Nous avions placé les petits à la tête du cortège, pour que les habitants voient qu’il y a aussi des enfants dans le centre. Mais avant la ville, la police en cheval nous a arrêté. Mais on avait le droit de manifester. Ils n’oseraient pas faire pareil avec des néerlandais, j’en suis sûre ! » La petite Jînê dit : « Le cheval avait peur, il se cabrait. » « Pff », réagit Mehdi, « Pas possible ! Les chevaux de police sont super bien entraînés. »
« Shht ! » dit Biharbîn. Rien de cette histoire n’est paru dans les journaux. La police a bien étouffé l’affaire en bloquant toutes les rues autour de Ter Apel.

Aller-simple en taule
Je rends visite à Ibrahim. Pas de droit d’amener des magazines ou de la nourriture, ni même des cigarettes. « Nous les coupons en petits bouts pour voir s’il y a de la contrebande dedans » déclare le gardien. Les morceaux seront mis de côté pour Ibrahim pour quand il sort de la prison. On n’est pas bien méchant.

Le détecteur de métaux se déclenche trois fois. Je dois laisser mes chaussures, ma ceinture et la monnaie que je portais pour au moins pouvoir offrir Ibrahim un café de l’automatique. Deux portes en métal qui s’ouvrent une à la fois séparent l’entrée de la salle de visite.
Ibrahim n’est pas du tout le costaud qu’on m’a décrit. Il a un regard terne. Ses mains tremblent sans cesse. Trois mois enfermé l’ont brisé. « Je n’ai même pas volé un seul bonbon dans ma vie. Pourtant, je suis ici. » Ibrahim ne sait pas ce qui va lui arriver ou quand. L’IND n’a pas pu obtenir son laisser-passer, mais a eu la gentillesse de transmettre le dossier d’Ibrahim à l’ambassade de Syrie et a même donné la permission au personnel de l’ambassade de l’interroger. Ibrahim est sûr que retourner en Syrie signifie un aller-simple en taule. «Demander l’asile est considéré comme trahison dans mon pays. »

Faire une demande d’asile - ou même se trouver sur sol néerlandais sans les papier nécessaires - n’est pas un crime selon la loi néerlandaise. Pourtant, les déboutés sont traités de la même façon que les criminels dans l’établissement. Promenade d’une heure par jour, enfermé à partir de 17 heures, le dimanche à 15 heures. « Les criminels ont même plus de droits que nous. », dit Ibrahim, « Eux, au moins savent quand ils sortiront d’ici. »

Ibrahim raconte l’histoire de son voisin. « Il était malade et hurlait et tapait sur la porte, complètement paniqué. Personne n’est venu le voir, le gardien a du penser qu’il faisait exprès, pour l’embêter. Le lendemain on l’a trouvé mort. Il était diabètique. » Mais est-ce qu’il n’y a pas de médecin ? « Si, mais il ne prescrit que du paracétamol. Dépressif ? Paracétamol ! Diabète ? Paracétamol ! Tu t’es coupé un jambe ? Paracétamol !» Ibrahim rit sans joie.

« Tu aurais du épouser une Afghane »
Ibrahim est devenu amer. «Si on me donnait un permis demain, je ne resterais pas. J’en ai marre de ce pays. Tu n’imagines pas la haine qui s’est accumulée ne moi. Je voulais reconstruire ma vie ici, mais là je n’en peux plus. » Hier, la jeune Biharbîn a dit la même chose. « Les gens ne veulent pas de moi. »

Le lendemain Ibrahim m’appelle: pour s’excuser de ses mots forts. J’ai du mal à lui faire comprendre que ce n’est pas à lui de s’excuser.

Je suis de retour chez Achlam qui me talonne avec des anecdotes : de Timur, un Afghane marié à une Russe, refusé dans les deux pays. « Et que dit l’IND ? T’aurais du épouser une Afghane ! » Amina, une belle palestinienne de 18 ans entre dans la baraque avec une assiette de dolmades. « Ma mère avait été convoquée pour un entretien de départ. En même temps, ma petite sœur et moi avions été arrêtées. On nous a jetées dans une camionnette de police et amenées ici. La police n’a pas pu trouver mon petit frère de 14 ans, il a disparu. A part nous, personne ne le cherche. Pour la police et l’IND, il n’est pas un enfant disparu, mais « parti pour une destination inconnue. »

Entre temps, après plus de 5 mois d’emprisonnement, Ibrahim est simplement mis à la rue. Il est toujours aux Pays-Bas, aidé par la communauté kurde. Son avocate a fait appel en déclarant que l’IND a mis la vie de Ibrahim en danger en exposant son cas aux autorités syriennes. La famille de Biharbîn a changé de foyer plusieurs fois. Elle aussi attend des nouvelles de son avocat, mais n’ose plus espérer.

Publié Mai 2006

Image: Le centre de rétention Ter Apel

Aimez-vous Kafka ? - ou bienvenus au service d’immigration néerlandais

Les Pays-Bas, pays de longue date réputé hospitalier et humain, paraît s’être métamorphosé en république bananière. Le pays est parmi ceux qui mènent la politique d’asile la plus restrictive. Des organisations pour les réfugiés, Amnesty International et Human Rights Watch décrivent la politique menée comme contraire aux traités internationaux. Dans son livre : « Er is thans geen grond… » (« à présent il n’y a pas de motif… » - une phrase souvent utilisée dans les lettres de refus adressées par le service d’immigration aux demandeurs d’asile) Maître Frans-Willem Verbaas, avocat spécialisé en affaires d’asile, décrit la situation déplorable qui règne au service de l’immigration, l’IND.

26.000 personnes qui attendent depuis des années une réponse à leur demande d’asile. C’est ce que la ministre Rita Verdonk a trouvé lors de son entrée en fonction en 2003. La ministre, déterminée de clore tous les dossiers avant Noël 2006, lança « l’opération retour » qui renforça la capacité de rétention et augmenta les expulsions. Côté entrée, elle installa une porte en fer, équipée par le service d’immigration (IND). Le but : admettre aussi peu de personnes possible.

Une demande d’asile tourne déjà mal à la première interrogation. Cela est dû aux différences culturelles, aux problèmes de communication et à des facteurs psychiques, selon une étude de l’université de Nijmegen. L’IND impute ses obstacles entièrement au caractère douteux du demandeur d’asile et rejette la demande. Cela ne doit pas surprendre. L'aspiration à une politique stricte mène à une culture axée sur la nécessité de trouver des arguments pour rejeter les demandes d’asile. Les fonctionnaires de l’IND ont l’air de douter de toute histoire par définition. Jusqu'à l’absurde on rabat les oreilles des demandeurs d’asile des numéros de vols et de la couleur de l’uniforme de l’hôtesse de l’air. De petites lacunes dans la chronologie du récit sont reprochées aux demandeurs. Malgré le rapport d’un expert qui dit que de telles erreurs sont normales, surtout quand il s’agit des événements de grande importance, rien n’est trop fort pour refuser une demande d’asile. A un Irakien de 94 ans qui a pris quelques jours pour se reprendre après son arrivée aux Pays-Bas il a été reproché de ne pas s’être présenté tout de suite. Un demandeur d’asile mineur et seul de 4 ans s’est vu reprocher de ne pas porter de pièce d’identité, ce qui rendait son histoire « d'une crédibilité douteuse ».

Rapports douteux
Cette méthode d’appréciation kafkaïenne ne touche pas uniquement aux interrogatoires mais aussi à l’appréciation de la situation dans les pays d’origine. La tendance est à qualifier un pays comme étant ‘en sécurité’ beaucoup plus tôt qu’on ne le faisait avant. Le gouvernement n’a pas la patience d’attendre l’avènement d’une certaine stabilité politique dans un pays avant d’y renvoyer des gens. Cette appréciation est uniquement basée sur les rapports du ministère de affaires étrangères, qui sont établis en concertation avec… l’IND ! Guère étonnant que les rapports sont dès lors bien plus optimistes que ceux d’Amnesty International et du Haut Commissariat des nations-Unies aux Réfugiés (HCR), qui ne jouent plus aucun rôle dans la détermination de la politique d’asile néerlandaise.

Les personnes issue des petits clans de Somalie, qui n’ont pas les moyens militaires de se protéger, sont considérées par Amnesty et l’HCR comme des réfugiés aux termes de la Convention de Genève. Ils sont en danger dans toute la Somalie. Selon le ministère des affaires étrangères par contre, ils peuvent s’installer sans risque dans le nord-est du pays. Pareil pour les Tchétchènes, qui sont supposés s’installer n’importe où dans la Fédération de Russie en dehors de la Tchétchénie, ce qui selon Amnesty et l’HCR est absolument injustifiable.

Une autre inquiétude est le nombre de refus prononcés dans le cadre de la procédure dite de 48 heures, ou « procédure AC ». Cette procédure existe depuis 1994, quand des touristes d’Europe de l’Est utilisaient la procédure de demande d’asile politique pour passer des vacances pas chères aux Pays-Bas. Le but de cette procédure était de prononcer rapidement des décisions de refus dans ces cas-là, et dans d’autres dossiers manifestement voués à l'échec. La pratique nous apprend cependant que la procédure AC sert aussi à refuser des demandes sérieuses et complexes. Un Libyen a vu son dossier refusé bien qu’il soit évident qu’il ait été torturé et bien que la Libye a une réputation méritée de cruauté. Dans un autre cas, l’avocat a fermement déconseillé la procédure AC, car la demanderesse était probablement traumatisée à cause d’un viol et après avoir assisté à l’exécution de sa mère. L’interrogatoire a quand même eu lieu. Le fonctionnaire n’a même pas voulu l’interrompre quand la femme indiquait avoir le tournis. La décision de refus lui a été remise en mains propres à l’issue de l’interrogatoire quand le tournis s’est développé en crise épileptique, la femme étant ensuite emmenée à l’hôpital en ambulance.

« Sobre mais juste »
On pourrait croire que si la politique de l’IND est plus stricte, les tribunaux seraient devenus plus critiques. C’est plutôt l’inverse qui est vrai. Depuis une nouvelle loi de 2001, le Conseil d'Etat est compétent en matière de recours contentieux. L’institution est connue comme étant extrêmement rigide et se montre indifférente vis-à-vis des dommages collatéraux de la politique de l’IND. Un recours d’une Iranienne qui avait gardé le silence sur son viol commis par les services secrets, par peur d’être repoussée par son mari, a ainsi été rejeté. Elle aurait dû le mentionner avant. Tant pis aussi pour la petite fille qui a omis de mentionner qu’à son retour en Somalie elle subirait l’excision de son clitoris.

Les résultats de cette politique qualifiée par le ministre“sévères mais juste” sont là. Le nombre de demandes baisse depuis des années. Certains tamils ont disparu après leur retour à Sri Lanka. Cinq Kurdes expulsés ont été torturés par la police Turc. Deux sont morts dans des circonstances louches. Une Somalienne est tombé enceinte de son violeur à son retour.

Où est la justice dans tout ça ?

Publié en avril 2006
Image: Ministre Rita Verdonk

Robin Cook


Hij schokte de wereld door in Jeruzalem een Palestijns parlementslid de hand te schudden. Een hevig vertoornde Netanyahu stuurde de Britse minister van Buitenlandse Zaken daarom zonder viergangendiner naar bed. Wie is Robin Cook, de brokkenmaker met wie Benjamin Netanyahu niet de tafel wilde delen?


Eigenlijk had de kleine roodharige Schot dolgraag het Labour-voorzitterschap van Neil Kinnock willen overnemen. Zijn gebrek aan classic good looks zouden hem die droom hebben ontnomen. Zelfs de interventie van Barbara Follet, de image builder van Labour ('baard iets korter, Robin, en doe een zachtere kleur overhemd aan en kam je haar naar voren'), mocht niet baten. Een plausibeler verklaring voor het feit dat Tony Blair, ook geen Chippendale, de voorkeur verdiende is echter dat Cook een norse, bijna arrogante loner is met meer kennissen dan vrienden. Cook zelf zit daar niet zo mee. 'Ik zou niemand van mijn collega's in verlegenheid willen brengen door te suggereren dat ik goed bevriend met hen was.'


Hij zal er met zijn pleidooi voor hervorming van het kiesstelsel ook weinig vrienden bij hebben gekregen. Cook wilde het rigide Engelse districtenstelsel omzetten in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. 'Stel nou dat het nieuwe parlement was gekozen door middel van evenredige vertegenwoordiging', schrijft hij in The Independent van 11 april 1992, net na het aantreden van het tweede kabinet-Major. Een waar Walhalla voor de kleine man zou volgens Cook zijn verrezen. 'Het eerste-over-de-finishsysteem heeft vier kabinetten lang verbetering op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg in de weg gestaan. Een coalitieregering van Labour met de liberaal-democraten had die zaken allang gerealiseerd', stelt hij - daarbij voor het gemak vergetend dat Labour ten tijde van de installatie van Major(II zo'n duik had gemaakt dat een overweldigende meerderheid er zelfs met hulp van de liberaal-democraten niet in had gezeten.
De vraag is of Cook nog steeds zo'n warm voorstander is van hervorming nu Labour het in zijn eentje kan rooien.
Koud was de 'tuinkabouter', zoals de rechtse pers hem origineel heeft gedoopt, toegetreden tot het eerste Labour-kabinet sinds jaren, of hij gaf de buitenlandse politiek een slinger die haar honderdtachtig graden deed draaien. Tot grote afschuw van de eurosceptics kondigde hij aan af te willen van de Britse 'not so splendid isolation'. Groot-Brittannië moest weer deel gaan uitmaken van Europa. In een leidinggevende rol natuurlijk, om zo de as Parijs-Bonn de wind uit de zeilen te nemen. Cook rekent af met de conservatieve opvatting dat Groot-Brittannië Europa niet nodig heeft vanwege de bevoorrechte band met de Verenigde Staten. 'Ik geloof dat Groot-Brittanni‰ een nog waardevoller bondgenoot van de Verenigde Staten kan zijn als we een leidersrol vervullen in Europa.'
Dit betekent niet dat Cook alle Europese idee‰n zonder meer omarmt. Regelmatig benadrukt hij dat hij een Europese munt niet zaligmakend vindt. De Europese landen zetten te veel opzij om maar te slagen voor het euro-examen. Gaten in begrotingen worden gedicht met geld dat bedoeld was voor de gezondheidszorg of de sociale zekerheid.
De Britten zullen in geen geval vooraan staan als de euro's uitgedeeld worden. Cook pleit voor een people's Europe waarin zorg voor werk, milieu en de bestrijding van criminaliteit centraal staan. 'We moeten voorkomen dat we dezelfde fouten maken als in Maastricht, toen het verdrag bijna door de mensen werd afgewezen omdat ze dachten dat zij er weinig mee opschoten. We kunnen het draagvlak voor de Europese Unie pas herstellen als we van de politieke agenda afstappen en de agenda van de burgers volgen. We moeten de werkloosheid boven aan de agenda zetten. Nog steeds wordt er meer gedaan voor de rechtspositie van mensen die al werk hebben dan voor mensen die zonder werk zitten.'
Cook was ook de motor achter de Britse ondertekening van het Europees sociaal handvest, volgens de Tories een eersteklaskaartje werkloosheid. De man klinkt als een Postbus 51-spotje, maar lijkt te menen wat hij zegt. Een Europa voor de mensen strekt zich in zijn optiek ook uit tot de landen van het voormalige Oostblok. Tsjechi‰ en Hongarije mogen wat Cook betreft meespelen.
Cook staat bekend als een vlijmscherp debater. Zijn sarcasme is bijtend als zoutzuur. Cooks glorious moment kwam toen het parlement afgelopen februari een rapport behandelde over de wapenverkopen aan Irak v¢¢r het uitbreken van de Golfoorlog in 1991. Cook kreeg pas een uur voor aanvang het rapport in handen. Ruim op tijd om er net d¡e stukken uit te halen die nodig waren om de Tories een verpletterende slag toe te brengen. Cook hekelde de sterke positie van Groot-Brittanni‰ in de wereld, nummer vier op de wapenranglijst, met de hartstocht van een hardcore-pacifist. Hij merkte op dat onder de conservatieven een wedstrijdje gaande was met Frankrijk, ook succesvol wapenexporteur, om elkaar af te troeven in overeenkomsten met dictatoriale regimes en herinnerde fijntjes aan toenmalig onderminister van defensie Alan Clark, die een bedrijf adviseerde de ware aard van zijn export naar Irak stil te houden.
Als zijn ouders hun zin hadden gekregen, was Robin Cook dominee geworden in de Presbyterian Church. Maar op negentienjarige leeftijd viel de jonge Robin van zijn geloof. Hij ging Engelse literatuur studeren aan de Edinburgh University. Halverwege zijn afstudeerscriptie over de victoriaanse roman ontmoette hij de twee jaar oudere hematoloog Margaret Whitmore. Hij liet Bront‰ en Austen voor wat ze waren en trouwde met haar. Ondertussen was zijn ster als politicus rijzende. Op tegenstander Malcolm Rifkind oefende hij zijn debatteerkunst in de gemeenteraad van Edinburgh. Ook schnabbelde hij wat bij voor de Glasgow Herald. Nog steeds laat hij in zijn wekelijkse column aan gokkers op de renbaan weten - en naar het schijnt niet onverdienstelijk - op welk paard ze moeten wedden.
In 1974 werd Cook gekozen in het Lagerhuis. Vervolgens was hij jarenlang schaduwminister van Buitenlandse Zaken. Hij maakte kennis met secretaresse Gaynor Regan. De twee kregen een verhouding. Tijdens het bezoek van de koningin aan India, waar Cook ook bij aanwezig was, liet hij het koninklijk gezelschap in de steek en vloog hij op staatskosten terug naar Engeland om enige uurtjes in de armen van de secretaresse te verpozen. De koningin en haar gevolg waren not amused, maar de gelederen en monden werden gesloten. Affaires mogen, maar niet in het openbaar.
Toch lekten Cooks amoureuze escapades uit. Een politicus die in het holst van de nacht de parkeermeter van een voor zijn deur geparkeerde vreemde auto bijvult, wekt al gauw de aandacht van een in het struikgewas verblijvende tabloid-fotograaf. Toen het verhaal in augustus vorig jaar de voorpagina's haalde, stonden de Cooks net op punt in het vliegtuig naar Montana te stappen voor een paardrijvakantie. In de vip-lounge op Heathrow annuleerde Cook zowel de vlucht als zijn huwelijk.
Tony Blair en ook de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright staan vierkant achter het handelen van Cook in Jeruzalem. De Britse pers is een stuk minder gecharmeerd. 'Meneer Cook heeft de indruk achtergelaten dat de Britse politiek wat betreft het Midden-Oosten in Brussel gemaakt wordt en niet in Londen', schrijft de Times in het hoofdcommentaar. 'Tony Blair zal als hij volgende maand Israel bezoekt, al zijn charmes in de strijd moeten gooien om de gevolgen van Cooks misstap ongedaan te maken.'

©1998 Christine de Vos/De Groene Amsterdammer

Schrijver zonder boeken

Sterven als held of anoniem doorleven in ballingschap, dat is de keus waarvoor de personages in zijn roman staan. Zelf werd Nasim Khaksar (Iran, 1944) ook voor dat blok gezet. Hij vluchtte en probeert hier de draad weer op te pakken. Maar dat is moeilijk: 'Ik zal nooit een Nederlandse schrijver worden. En een Iraanse schrijver ben ik ook niet meer.'


Hij houdt kantoor in de schaduw van de Utrechtse Domtoren. Nasim Khaksar is een kleine man. Zijn dikke haar vertoont wat grijs. De ogen achter de vierkante brillenglazen zijn toegeknepen als in een glimlach. De aartsvijand van de ayatollahs praat zacht in gebroken Engels en schenkt thee. 'Wil je er kandij bij? Komt uit Iran.' De boekenkast tegen de wand is gevuld met Perzische literatuur. Maar ook met Het olifantenfeest van Paul Biegel, en Annie M. G. Schmidts Heksen enzo. In Iran was Khaksar een geliefd kinderboekenschrijver. Op tafel woordenboeken Nederlands-Engels, Engels-Farsi en Farsi-Nederlands. Tijdens het gesprek bladert hij er regelmatig in: 'Ik wil dat je precies begrijpt wat ik wil zeggen.'
Vanaf het begin van zijn literaire loopbaan is Khaksar vrijwel onophoudelijk lastiggevallen door de Iraanse autoriteiten. Twee jaar na zijn debuut, in 1967, kwam hij al in aanraking met het regime van de sjah. Met een groep vrienden had hij het tijdschrift Kunst en Literatuur in Zuid-Iran opgericht. Toen de makers tijdens de Zesdaagse Oorlog openlijk de kant kozen van de Arabieren, werd de hele redactie ingerekend. Khaksar werd veroordeeld tot twee jaar gevangenis. Als veel intellectuelen had Khaksar banden met de fadaiin, een naar Cubaans-communistisch voorbeeld gevormde guerrillabeweging. Hij doorstond de martelingen in de gevangenis zonder een naam te noemen.
Na zijn vrijlating verscheen illegaal het boek Kom kinderen, laten we samen een boek lezen. Ook onder volwassen lezers werd hij steeds populairder. Uiteraard met uitzondering van de sjah. Opnieuw werd hij gearresteerd. Ditmaal hielden de autoriteiten hem zes jaar van de straat.
Khaksar: 'In de gevangenis begon ik gedichten te schrijven. Het probleem was alleen dat de bewakers mijn cel regelmatig doorzochten. Gelukkig deden ze dat z¢ regelmatig dat ik precies wist wanneer ik ze weer kon verwachten. Dan was er natuurlijk niets meer te vinden. Een paar medegevangenen leerden mijn gedichten uit het hoofd. Na mijn vrijlating schreef ik de gedichten uit hun geheugen opnieuw op.'

De islamitische revolutie bracht hem de vrijheid. 'Ik kwam buiten en zag al die mensen op straat juichen voor de nieuwe leider. Ikzelf was... laten we het gematigd positief noemen. Ik zag al gauw dat Khomeiny ook geen idee had van wat zijn volk nodig had. Het leek onmogelijk, maar hij was nog erger dan de sjah.'
Khaksars activiteiten werden hem bijna fataal. In 1983 vluchtte hij naar Nederland. Sindsdien leeft hij in Utrecht.

In 1991 verscheen, in het Nederlands vertaald, Khaksars De kruidenier van Kharzavil, een bundel korte verhalen. Drie jaar later verscheen Reis naar Tadzjikistan, een reisverhaal. In november vorig jaar werd in de Rotterdamse Schouwburg zijn eerste toneelstuk op de planken gebracht. En onlangs kwam zijn roman Weerhanen en zweepslagen op de markt.


De held in dit boek is Zahed, een jonge tapijtknoper die naar Nederland is gevlucht. Herhaalde patronen zijn zijn zekerheden, net als voor zijn vriend Yasin: 'Twee gele knopen, om en om! Dat heb ik! Nu moet je acht gele knopen leggen om en om! Dat heb ik! Nu vier gele, om en om! Dat heb ik. Nu een bruine in het midden. Vijf plaatsen openlaten en dan een groene!' Op een dag verdwijnt Zahed. Zijn vrienden en ook zijn Nederlandse vriendin Helena hebben geen idee waarheen en waarom. Als Yasin het motief ziet in het tapijt dat Zahed repareerde, weet hij: daarom! 'Yasin schrikt van het tapijt omdat het zo'n ongebruikelijk motief heeft', zegt Khaksar. 'Geen enkele figuur wordt herhaald. Dat brengt hem in de war. Als een beschadigd motief niet elders in het tapijt herhaald wordt, kun je niet zien hoe je het moet repareren. Er is nergens een voorbeeld. Tapijten zijn een symbool geworden voor zijn leven. Almaar een herleven van het verleden. Yasin realiseert zich, net als Zahed deed toen hij het tapijt zag, dat er een heel nieuw patroon ontworpen moet worden om het gat te dichten. Vanaf dat moment gaan herhalingen hem irriteren.'

In gesprekken met Helena reconstrueert Yasin het verhaal van zijn vriend. Dan vertelt hij haar hoe Zaheds strijdmakker Hasan, zogenaamd vrijgelaten door de politie, onbedoeld de verzetsgroep verried: 'Hasan was uit de gevangenis gekomen en naar zijn geheime afspraken gegaan zodat de politie achter de plannen van de organisatie zou komen en hen allemaal gevangen zou nemen.' De herinnering aan Hasan schuift alle stukken op hun plaats. Yasin begrijpt wat Zahed is gaan doen.

Zahed is vertrokken naar het grensgebied van Iran en Turkije dat hij jaren eerder ternauwernood is ontvlucht. Waarom?

Khaksar: 'Jaren geleden hield Zahed zich in datzelfde gebied schuil onder een rotsblok. Een paar meter boven hem stond een premiejager. Daar zijn er veel van in dat gebied. Ze leveren vluchtelingen uit aan het regime voor geld. Tenzij je hun meer betaalt dan je voor de politie waard bent. De heldendood of het leven van de anonymus, dat zijn de opties van iemand die op het punt staat te vluchten. Zahed kiest aanvankelijk voor het laatste. Maar hij is jong en enthousiast en het verlangen een held te zijn steekt na jaren weer de kop op. Hij komt op het roekeloze idee Hasan te gaan redden.'

Is er geen derde optie?
'Bozorg Alavi, een schrijver die een paar jaar geleden naar Duitsland vluchtte, schreef eens dat meewerken tijdens een ondervraging hetzelfde is als ja knikken, je hoofd buigen. Op het moment dat je je hoofd buigt, word je doorboord door het mes dat op je keel staat. Maar dat klopt niet. Meewerken houdt niet automatisch in dat je je hoofd laat zakken. Je kunt er ook die kant en die kant mee opdraaien. Kijk, zo.' Khaksar zet een wijsvinger onder zijn kin en draait zijn hoofd van links naar rechts. 'Geen schrammetje!'
'De derde optie', vervolgt Khaksar, 'is de acceptatie. Als Yasin het verhaal van Zahed heeft afgemaakt, gaat hij terug naar de tapijtenwinkel. Verder met het werk. Dat is goed. Acceptatie is het begin van wedergeboorte. Maar voordat hij dat kan, heeft Yasin zijn eigen en Zaheds lijdensweg van begin tot eind doorlopen. In Iran zeggen we: je moet kauwen voor je kunt doorslikken. De harde brokken moeten zacht gemaakt worden. Dat kost moeite. Nu heb ik vrede met het verleden en leef ik verder hier. Dat is het enige wat ik kan doen. En het verleden proberen te begrijpen. En heel misschien me er ooit van losmaken.'

Je zei 'ik'. Ben jij Yasin?

'Ik ben allebei. Zowel Yasin als Zahed. Ik begrijp dat "groots en meeslepend"-gevoel van Zahed. Dat is de generatie. Ik was jong in de jaren zestig. De tijd dat Franse studenten de Sorbonne bezetten, de tijd van Che Guevara. In Iran heerste diezelfde atmosfeer. We waren jong en we konden alles. Het is dat glorieuze dat weer in het brein van Zahed opduikt als het vreemde patroon hem doet realiseren dat er iets doorbroken moet worden. Heel begrijpelijk maar ook heel gevaarlijk.'

Zelf ontsnapte Khaksar op het nippertje aan de heldendood. Na de islamitische revolutie ontdekte hij dat de nieuwe leiders minder streng censureerden dan de sjah. Zijn boeken konden betrekkelijk makkelijk worden gepubliceerd. Maar die soepelheid bleek van korte duur. Nadat hij in kranteartikelen vlammende kritiek op het islamitische regime had geuit, werd Khaksar voor de derde keer gearresteerd. Ditmaal hoorde hij het doodvonnis tegen zich uitspreken. Hij ging in hongerstaking uit protest tegen de schending van de mensenrechten. De media berichtten uitgebreid over zijn toestand; intellectuelen en kunstenaars verhieven hun stem, en een overweldigend deel van het volk steunde hun protest. Khomeiny zat nog niet zo stevig in het zadel dat hij de menigte durfde trotseren. De doodstraf werd ingetrokken en een maand later was Khaksar vrij.

Khaksar: 'Zonder dat ik het wist had een linkse partij mij op de kandidatenlijst voor de verkiezingen gezet. Ik wilde helemaal de politiek niet in, maar ik kon de mensen die mijn vrijlating hadden bewerkstelligd moeilijk iets weigeren. Natuurlijk ben ik nooit verkozen. Alleen islamitische partijen haalden zetels. Mijn boeken kreeg ik na mijn vrijlating nauwelijks meer gepubliceerd. Alleen mijn naam op de kaft was al voldoende ze te verbieden.'

De bezetting van het gebouw van de Schrijversbond in Teheran, waarvan Khaksar lid was, gaf de doorslag. Een paar maanden eerder was een bestuurslid van de bond al gearresteerd en geëxecuteerd. 'Met nog wat andere schrijvers ben ik gevlucht. Bewust anonimiteit verkiezend boven de heldendood. Nu ben ik Yasin.'

Is dat moeilijk?

'Als je bedoelt leven zonder roem, nee. Maar het schrijven is hier wel moeilijk. Veel moeilijker dan in mijn moederland. Ik ben hier omgeven door zo veel nieuwe dingen. Andere mensen, andere ideeën... Als ik naar buiten kijk zijn de straten anders; de architectuur lijkt in niets op die van Teheran of Isfahan. Ik heb stap voor stap moeten leren om over die dingen te schrijven. Ik was schrijver en kwam hier aan met niets. Al mijn werk was in Iran achtergebleven. Ik kon wel zeggen dat ik schrijver was, maar kon geen boeken laten zien.'
Hij bladert in de Kruidenier van Kharzavil en leest voor: 'Op de plank boven mijn hoofd stond het reisverhaal van Nasser Koshrow. Ik pakte het boek, sloeg het open en las: Wij: Ik en mijn broer en een Indiase bediende die ons vergezelde, arriveerden bij een dorp, Kharzavil genaamd. Er restte ons nog maar weinig proviand. Mijn broer vertrok om iets bij de kruidenier te gaan kopen. Iemand zei: "Wat wenst u? Ik ben de kruidenier." Hij antwoordde: "Wat u heeft is welkom. Ik ben een vreemdeling op doorreis." Maar wat hij ook aan etenswaren opsomde, de ander antwoordde telkens: "Dat heb ik niet." Vanaf dat moment noemden we ieder die zo handelde de kruidenier van Kharzavil."(' Zo was het. Als iemand mij vroeg: "Heb je romans voor me te lezen?" zei ik nee. Gedichten? Nee. Verhalen dan? Nee. Ik ben de kruidenier van Kharzavil.'

Het boek gaat dicht en Khaksar zegt: 'Ik ben geen Nederlandse schrijver en zal dat ook nooit worden. Een Iraanse schrijver ben ik ook niet meer.' Hij haalt een schrift uit een la en leest weer voor: 'Op een ochtend, toen mijn boek een paar maanden af was, werd ik wakker en bedacht dat Sara (Yasins vrouw - cdv) symbool staat voor mijn moederland. Haar hand is verminkt, ze is beschadigd. Net als mijn moederland. Ze is altijd bij me als een herinnering aan wat voorbij is. Net als mijn moederland. Zij kent mijn verleden. Net als mijn moederland. Yasin en zij proberen hun problemen op te lossen, maar ze staan te ver van elkaar. Net als ik en mijn moederland... Helena, aan de andere kant, staat symbool voor de wereld. Ze is jong en aantrekkelijk. Ze draagt in zich de belofte van geweldige nieuwe tijden. Vlak voor zijn dood praat Zahed met Helena. Hij heeft haar òòk nodig. Dat is de kern van ballingschap. Niet dat je je eigen cultuur verlaat en terechtkomt in een andere. Maar dat je altijd tussen beide culturen in zit en nooit meer echt thuiskomt.'

Gepubliceerd in maart 1998
Foto
© Akke van Eck