Hoe moeilijk is het om de dood van een geliefde te verwerken. Of zelfs maar te bevatten. Het idee dat die persoon nooit meer terug zal komen. Wat is dat, nooit meer? Hoe lang duurt dat? En als ‘nooit meer’ voorbij is, komt hij of zij dan weer terug? Krampachtig zoeken we naar een manier waarop we onze echtgenoot, ouder of kind toch nog een beetje bij ons kunnen voelen. De belofte van een weerzien in een volgend leven, het idee dat de overledene van een afstandje naar ons blijft kijken en misschien zelfs iets tegen ons zegt. Zoals in het mooie gedichtenbundeltje Hier ben ik van Hein Walter.
In het boekje praat de tienjarige Nathalie Geijsbrechts tegen haar vader Eric. Ruim
In eenentwintig gedichten laat Walter het meisje tot haar vader spreken. Tien
Maak de stilte wakker pap
en hoor de liefde in de herrie
geef de dood geen kans en weet
dat elke keer dat ik bij name word genoemd
ik steeds opnieuw geboren word.
Hier ben ik is geschreven als onderdeel van een project waaraan in 2002
"In gesprekken met Eric Geijsbrechts kreeg het kunstwerk langzaam
dat hij overal mee naar toe zou kunnen nemen, dat hij aan anderen zou kunnen
geven, iets dat hij in de kast zou kunnen zetten als het hem teveel werd", zegt
Denk aan wie ik was, wie ik ben, niet aan hoe ik gestorven ben, houdt Nathalie
Laat me niet meer schreeuwen
maar weer lachen als een kind
en spelen dat ik moeder ben van al mijn poppen,
van de dag en slapen op de bank.
Laat me je dromen niet verscheuren
maar verschijnen als een meisje
dat je zegt dat alles goed is
want zo is het.
Voor familieleden van vermisten is het verlies misschien wel dubbel zo zwaar. De
Toch
ambtenaar Nathalies naam door te strepen, zoals Walter haar in een van de
Volgens het wetboek
ben ik bij volwassenheid
gerechtigd om te zeggen
wat ik wil.
Daarom zeg ik,
pap, ik hou van je.
En ook
om me los te laten
zoals je Bjorn los zal laten
als hij 21 is.
Hein Walter heeft met 'Hier ben ik' een teder en hoopvol boek geschreven.
Maar weet
dat we nooit verder
van elkaar verwijderd zullen zijn
dan een gedachte.
Mooi…
Gepubliceerd in mei 2005